Nieuws uit Polen
31 mei 2013

Na jaren verwaarlozing wil Sobibor uit as herrijzen

 

Archeologische Opgravingen Sobibor

Het is een tiental: vers gegraven kuilen in de bosgrond bij de Poolse-Oekraïense grens, slechts afgeschermd met een politielint. In een van de diepere kuilen staat Wojciech Mazurek (52) voorovergebogen, zijn pet achterstevoren op om zijn nek te beschermen tegen de brandende meizon. Met een borsteltje veegt hij voorzichtig over een nog half ingegraven schedel. De contouren van de rest van het skelet zijn duidelijk zichtbaar: een bekken, ribben. ,,We hebben snel een tent nodig, deze heeft te lang in de zon gelegen”, zegt Mazurek lichtelijk bezorgd. Lang hoeft hij niet te wachten: een paar minuten later verschijnt een collega met een afschermingstent.

De macabere vondst is voor Mazurek een belangrijke doorbraak. Het is voor het eerst dat er niet-verbrande menselijke resten zijn gevonden op de plaats van het concentratiekamp Sobibor. ,,We hebben twee theorieën”, legt hij uit. ,,Dit kunnen de gevangenen zijn die gedwongen waren om het kamp op te ruimen en het bewijs te vernietigen. Maar het kunnen ook Poolse verzetslieden zijn die na de oorlog door de inlichtingendiensten van de Sovjetunie zijn gefusilleerd. De Sovjets wisten heel goed wat zich hier had afgespeeld, dus misschien wilden ze hun daad zo camoufleren.” Eerder zijn allerlei persoonlijke bezittingen gevonden, van sleutelhangers tot een Mickey-Mousefiguurtje.

Daarnaast verwacht Mazurek de komende tijd meer vondsten te vinden. Hij wijst naar groep werkers die staan te spitten in de harde bosgrond. Met moeite worden de wortels weggehakt van de bomen die door de nazi’s in het gebied zijn geplant om bestaan te maskeren. Tussen het scheppen door wuiven ze met hun hand voor hun gezicht om een paar seconden respijt te krijgen van de agressieve muggenzwerm. ,,We vermoeden dat daar de plek was waar de sonderkommando’s werden vastgehouden”, zegt hij. Sonderkommando’s waren Joodse gevangenen die werden gedwongen mee te werken aan het vernietigingsproces, inclusief het verbranden van de lijken en het begraven van de as.

Sobibor was een van de meest intensieve vernietigingskampen van het Derde Rijk. Vanaf mei 1942 tot de sluiting in oktober 1943 werden er naar schatting een 170 duizend tot een kwart miljoen Joden uit heel Europa vergast. Na een gevangenenopstand op 14 oktober 1943 werd het bewijsmateriaal door de Duitsers zoveel mogelijk vernietigd. Samen met de twee grotere kampen Belzec (ongeveer een half miljoen slachtoffers) en Treblinka (800.000 tot 1 miljoen moorden) behoorde Sobibor tot de pure vernietigingskampen op bezet Pools grondgebied die onder Operatie Reinhard vielen. Naar schatting 34.000 Joden uit Nederland die via Kamp Vught en Kamp Westerbork werden vervoerd, zijn in Sobibor vergast.

Op 14 oktober is het 70 jaar geleden dat bij een opstand 300 gevangenen wisten te ontkomen. 50 tot 70 overleefden daadwerkelijk de oorlog. Het komende jubileum is waarschijnlijk de laatste waar nog eventuele overlevenden bij kunnen zijn. De enige overgebleven overlevende in Nederland, Stichting Sobibor-oprichter Jules Schelvis, is ondertussen 92 jaar oud.

Pas sinds 2007 worden hier serieuze opgravingen verricht, vertelt Mazurek. ,,In 2004 werkte ik samen met Discovery Channel aan een project hier, maar daar kwam niet veel uit”, zegt hij. Pas toen ook geld uit Nederland en Israël binnenkwam zijn de opgravingen in een stroomversnelling geraakt. In 2011 kon eindelijk de koers van de beruchte Himmelfahrtstrasse (‘Hemelvaartsstraat’), het afgerasterde pad dat de gevangenen ontkleed moesten volgen naar de gaskamers, worden vastgesteld. Die wijkt sterk af van hoe de huidige gedenklaan loopt, die in 2003 met Nederlands geld is aangelegd gebaseerd op een toenmalige inschatting van hoe de Himmelfahrtstrasse heeft gelopen.

,,De Nederlandse regering heeft tot nu toe 1 miljoen euro bijgedragen aan het Sobibor-project”, zegt Dariusz Pawlos, directeur van de Stichting voor Pools-Duitse Toenadering, de organisatie mede verantwoordelijk voor Sobibor en andere vernietigingskampen als Treblinka, Belzec en Majdanek. ,,Dat geld gaat zowel naar de opgravingen, als naar de bouw van een nieuwe gedenkplaats.” Naast Nederland en Polen zijn ook Israël en Slowakije betrokken. Ook Stichting Sobibor en de Provincie Gelderland steken regelmatig geld in de gedenkplaats.

Dat na al die tijd nog steeds zo weinig bekend is over het vernietigingskamp heeft alles te maken met verwaarlozing en geldgebrek. De Communistische machtshebbers staken geen energie in archeologisch onderzoek op de locaties vernietigingskampen. Tot begin jaren 90 meldde de gedenksteen bij Sobibor als eerste dat op die locatie soldaten van het Rode Leger en Polen zijn geëxecuteerd. Dat veranderde pas toen een overlevende op eigen kosten de plaat liet vervangen. ,,Sobibor was in Polen overduidelijk vergeten”, zegt voormalig directeur Marek Bem van het Sobibormuseum en nog steeds curator van het museum in Wlodawa. ,,Er was na de oorlog maar één overlevende in Polen overgebleven, en die wilde er niet over praten. De rest is geëmigreerd naar alle hoeken van de wereld.”

De gedenkplaats van Sobibor, geopend in de jaren 60, is nog steeds erg bescheiden. Langs de gedenklaan liggen stenen met namen van slachtoffers. Een koperkleurig standbeeld van een vrouw met kind staat naast een rechthoekige, stenen kolom, daar waar waarschijnlijk de gaskamers hebben gestaan. In het grasveld te midden van het gebied waar de as van de slachtoffers is gestort staat een groot, mausoleum-achtig bouwwerk. Een krakkemikkig houten huisje deed dienst als museum, tot het in 2011 gesloten werd door geldgebrek. Bovendien was de expositie volgens hem sterk verouderd. Bij het gebouw staan nu kantoorcontainers waar de medewerkers van de gedenkplaats werken.

Wie er wil komen staat voor een uitdaging: openbaar vervoer is er niet, de wegwijzers vanuit Wlodawa zijn spaarzaam en zelfs GPS en Google Maps blijken nutteloos. Ondanks dat liggen de jarenlange financiële problemen niet aan de bezoekersaantallen: 20 tot 30 duizend bezoekers per jaar. In 2012 bezochten 545 Nederlanders Sobibor.

,,Dat zijn geen toevallige voorbijgangers”, zegt directeur Kryzstof Skwirowski. En toch was het geldgebrek diepgeworteld. ,,Zelfs voor zoiets eenvoudigs als een hamer was domweg geen geld.” Anders dan andere holocaust-gedenkplaatsen viel het beheer van Sobibor vanaf 1998 14 jaar lang onder het districtsmuseum van Wlodawa. ,,Dat is een van de armste gebieden binnen de Europese Unie, en die moest opeens het museum en gedenkplaats onderhouden”, zegt Skwirowski. Volgens toenmalig directeur Bem ging het om één groot misverstand. ,,Tot vandaag weet ik niet waarom die beslissing genomen is. We hoopten op een wetswijziging die alle holocaustplaatsen als nationaal monument zouden erkennen, maar die verviel uiteindelijk.”

,,Om Sobibor te onderhouden heb je minimaal 125 duizend euro per jaar nodig”, zegt Skwirowski. ,,Maar het totale budget was niet meer dan 100 duizend euro per jaar, en daarvan moesten ook het plaatselijke museum in Wlodawa en de oude synagoge worden onderhouden.” Ook kon Sobibor, in theorie, alleen op projectbasis aanspraak maken op rijkssubsidies, waarbij aanbestedingen moesten worden gedaan. ,,Een klein plaatselijk museum als in Wlodawa maakt bij dergelijke aanbestedingen geen schijn van kans.” De werknemers en omwonenden deden buiten werktijd onderhoudswerkzaamheden met privégereedschap. Het geld dat binnenkwam vanuit het buitenland ging volgens Skwirowski op aan de lonen van museummedewerkers.

Skwirowski is dan ook opgelucht over de nieuwe situatie. Na de sluiting van het museum en de verontwaardiging die volgde bij buitenlandse instanties werd de organisatie omgegooid. Sinds vorig jaar valt Sobibor als dependance onder het museum in Majdanek, dat wel direct door de nationale overheid werd gefinancierd.

Maar er moet nog een hoop gebeuren om de gedenkplaats op orde te krijgen, zegt Pawlos van de Stichting voor Pools-Duitse Toenadering. Begin dit jaar werd een wedstrijd uitgeschreven voor de bouw van een nieuwe gedenkplaats (zie kader), en daarvoor is het geld al rond. ,,Maar er moet meer gebeuren. De omliggende bossen moeten worden overgenomen van het Poolse Staatsbosbeheer. Heel erg belangrijk is de spoorlijn en het perron waar de gevangenen aankwamen, die zijn nog steeds in gebruik en in handen van de Poolse spoorwegen.” Daarin voorziet Pawlos geen problemen omdat het om bezit van de Poolse Staat gaat. Moeilijker is het met de omwonenden. Bij Sobibor is sociale huisvesting geplaatst, en het kantoor van de kampcommandant is eveneens bewoond. ,,Die mensen willen daar helemaal niet wonen”, zegt Pawlos. ,,Maar ze moeten wel voldoende gecompenseerd worden voor een verhuizing.”

Ook probeert de stichting meer landen mee te krijgen in het financieel steunen van de gedenkplaatsen. Zelfs Duitsland is volgens Pawlos ondertussen benaderd om bij te dragen. ,,Duitsland heeft altijd afstand gehouden, ook omdat niemand ze heeft uitgenodigd. Maar ondertussen ligt er een formeel verzoek.”

Maar voor de archeologen is het vroegere geldgebrek voor de gedenkplaats nu een zegen. ,,In Belzec hebben ze een enorme gedenkplaats gebouwd, zonder eerst archeologisch werk te verrichten”, zegt de Israëlische archeoloog Yoram Haimi (52) die met Mazurek samenwerkt aan de opgravingen. ,,Dat wat eventueel nog over was gebleven is volkomen weggevaagd. Dat gaat hier niet gebeuren.” Toch is er bij de archeologen ook onvrede over de plannen. ,,Het nieuwe museum staat volgens die wedstrijd gepland op de open plek waar de gevangenen zich uit moesten kleden. Die moet je open laten. Dat is de regel voor voormalige kampen overal, maar kennelijk niet hier.

Hoort bij: Uncategorized — Michiel @ 8:30 pm

Comments are closed.